De vele buitenplaatsen die ooit op Walcheren lagen, zijn een bekend gegeven. Ze waren de uiting van een cultuur waarin stedelingen rust en vermaak buiten de stad zochten, wordt altijd verteld. Maar dat is lang niet de enige reden van hun ontstaan geweest, zo zal blijken in de lezing van Martin van den Broeke. De cultuur van het buitenleven ontstond in Nederland in een tijd waarin de stedelijke elite sterk in opkomst was. Die vergaarde enorme fortuinen en drukte een stevig stempel op het platteland. Regenten oefenden er rechtsmacht uit in hun ambachtsheerlijkheden, lieten openbare wegen verleggen ten behoeve van hun parken en gebruikten hun landgoederen voor de jacht. Hoewel het buitenleven in Nederland voornamelijk een cultuur was van burgers, vertoonden de Walcherse buitenplaatsbewoners in de zeventiende eeuw ook aristocratische trekken.
In deze lezing staan opkomst en ontwikkeling van buitenplaatsen op Walcheren centraal van de zeventiende tot ongeveer het midden van de achttiende eeuw. Het verhaal wordt verteld aan de hand van drie functies van de buitenplaats. Ten eerste diende een buitenverblijf als statussymbool voor de eigenaar. Het moest tot uitdrukking brengen dat deze iemand van hoge komaf was en veel aanzien genoot. Ten tweede kon een buitenplaats ook geld opleveren: grond en boerderijen werden gezien als renderende investeringen. Ten derde was een buitenplaats er uiteraard voor het plezier. Maar ook dat was omgeven door noties van standsbesef, uiterlijk vertoon en nut.
Martin van den Broeke verricht al jarenlang (archief)onderzoek naar buitenplaatsen in Zeeland. Momenteel bereidt hij een proefschrift voor over buitenplaatsen op Walcheren. Dat onderzoek levert de nodige nieuwe inzichten op over dit intrigerende onderwerp, waarvan er in deze lezing enkele aan de orde zullen komen.









