Amsterdamse projectontwikkelaars
in zeventiende-eeuws ’s-Graveland
Waarom ziet ’s-Graveland eruit zoals het eruit ziet? Die vraag vormde de aanleiding voor Stance de Haas – Staalman om zich voor haar afstudeer onderwerp Erfgoedstudies in dit markante en bijzonder gevarieerde gebied te verdiepen. Met groeiende verwondering ontdekte zij aan de hand van stukken uit archieven, kaartmateriaal en literatuur hoe het ontwerp voor het gebied en de uitvoering ervan tot stand gekomen zijn.
Bijna vier eeuwen geleden ontstond het plan om het gebied rond het huidige
’s-Graveland in cultuur te brengen. De woonkern ’s-Graveland met zijn buitenplaatscultuur ligt westelijk van Hilversum precies in het overgangsgebied van de zandgronden van het Gooi en het Hollands-Utrechts veenweidegebied. De ‘s-Gravelandse polder, meet ongeveer vier bij een-en-een-kwart kilometer. Het huidige landschap wordt gekenmerkt door een lintdorp met daar langs een aaneenschakeling van buitenplaatsen. Een vogelvluchtvisie laat de opmerkelijke structuur zien; bepalend is de strakke rechthoekige vorm van het gebied. De regelmatige verkaveling van ’s-Graveland in oost-west richting is duidelijk zichtbaar door de rechte scheisloten en de groene omheiningen van de kavels.

In groen het gebied dat door de ontginners verkaveld werd. ’Kaart van Gooiland, van Hilversum tot Vreelandt en Naerden tot Weesep’ C. Dankersen de Rij, 1636
Een aantal van de buitenplaatsen die in de loop der tijd ontstaan zijn, is nog in mindere of meerdere mate intact. Gezien van noord naar zuid, zijn dat: ‘Swaenenburg’, ‘Schaep en Burgh’, ‘Boekestijn’, ‘Sperwershof’, ‘Spanderswoud’, ‘Hilverbeek’, ‘Jagtlust’, ‘Schoonoord’, ‘Trompenburg’ en ‘Gooilust’ en aan de overzijde van de ’s-Gravelandse vaart, ‘Berg en Vaart’.
Amsterdam
De relatie tussen Amsterdam en ’s-Graveland wordt in de literatuur bij herhaling gelegd. Zo wordt de achttiende-eeuwse cluster van buitenplaatsen in ‘s-Graveland wel als een “Amsterdamse oase” bestempeld en wordt er gesteld dat er tot het midden van de twintigste eeuw een “klein Amsterdam” voortleefde. Hoe kwamen Amsterdammers in ’s-Graveland terecht? De vraag die het onderzoek wilde beantwoorden was in hoeverre de totstandkoming en vorming van ’s-Graveland al in de zeventiende eeuw beïnvloed is door omstandigheden en ervaringen in Amsterdam en omgeving. Welke personen en wat voor motieven, kennis en ervaring speelden een rol? Is er lering getrokken uit de Amsterdamse stadsuitbreidingen en landwinningsprojecten met de daar bijhorende bestuurlijke, sociale, economische en infrastructurele problematiek? Welke aspecten kregen navolging in ’s-Graveland en welke werden juist anders uitgewerkt? En, welke elementen werkten door in de ontwikkelingsgang van het gebied en zijn nog waarneembaar in het huidige ’s-Gravelandse landschap? De focus van de studie betrof de periode van de zeventiende eeuw, waarin een aantal kapitaalkrachtige Amsterdamse kooplieden-regenten geïnteresseerd raakte in het gebied aan de rand van het Gooi en het tot ontwikkeling trachtte te brengen. Bekend is dat de zeventiende-eeuwse ontwikkelingsprojecten als oogmerk hadden vrijwel waardeloos water of land om te zetten in bruikbaar terrein dat rendement opleverde.

Detail van ‘ 's Graveland met sijn vermakelijke hofsteden, de plattegrond, 1730’ In: Atlas van Schoemaker, Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, Koninklijke Bibliotheek
Projectteam
De uitkomst van het onderzoek laat zien dat het projectteam van ontginners van het eerste uur, waaronder Andries Bicker en Anthonis Oetgens van Waveren, beide oud-burgmeester van Amsterdam, aantoonbare ervaring meebracht die ze toepaste in ’s-Graveland. Als bestuurders van Amsterdam, hadden ze te maken gehad met de problematiek van stadsuitbreidingen, onteigeningskwesties, inrichting van openbare ruimten en voorzieningen. Onderwerpen waarmee ze ook in ’s-Graveland aan de slag moesten. Daarnaast had het team, dankzij hun droogmakerij‐projecten in het achterland van Amsterdam, ervaring opgedaan met octrooien, landinrichting, verkavelingen en het optuigen van bestuur en rechtspraak in het nieuwe land. Ook hier is de opgedane ervaring aanwijsbaar in de manier waarop ’s-Graveland is ontwikkeld. Bovendien hadden ze kennis van het te ontginnen gebied dankzij de naburige Heren van zowel Kortenhoef als Ankeveen en hadden ze een pleitbezorger in Het Gooi in de persoon van de drost van Muiden en baljuw van Gooiland, P.C. Hooft. Met gedegen kennis van zaken dus, pakten de ondernemers de ontginning van ’s-Graveland stapsgewijze, weloverwogen en op basis van een integraal plan aan.
door Stance de Haas-Staalman










leuk artikel! Mijn familie komt uit ‘s Graveland, vandaar de belangstelling. Waar kan ik die scriptie vinden?
hartelijke groet, Christie